Gemeenteblad van IJsselstein
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| IJsselstein | Gemeenteblad 2026, 44313 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| IJsselstein | Gemeenteblad 2026, 44313 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Dit besluit betreft de wijzigingen in 'bijlage A'.
A
Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstukHOOFDSTUK 22 van dit omgevingsplan.
Bijlage
BIJLAGE I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstukHOOFDSTUK 22 van dit omgevingsplan.
B
Hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels van deze titel gelden in het plangebied Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost, tenzij elders in deze titel is bepaald dat de regel slechts in een gedeelte van dat gebied van toepassing is.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op titel 20.1.
In aanvulling op artikel 20.2, eerste lid, zijn de volgende begripsbepalingen ook van toepassing:
bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
duurzame gemeenschappelijke huishouding: een band tussen een vaste groep personen die het enkel gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling heeft om bestendig voor onbepaalde tijd een economisch-consumptieve eenheid te vormen, waarbij er sprake dient te zijn van:
huishouden: een alleenstaande dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren;
peil:
voorgevel: de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt; en
woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Bij de toepassing van de regels over Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost wordt als volgt gemeten:
afstanden: afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn;
de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
de breedte, lengte en diepte van een bouwwerk: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren;
de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan de van de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; en
vloeroppervlakte: de gebruiksoppervlakte volgens NEN 2580.
De regels in deze titel over Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost zijn gesteld met het oog op:
Artikel 20.5 Aanwijzing en geometrische begrenzing
Er is een gebiedstype Woongebied dat wordt begrensd door het werkingsgebied Woongebied (EU-o) waar de regels van deze paragraaf gelden.
Artikel 20.6 Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving
Binnen het gebiedstype Woongebied (EU-o) gelden specifiek '' normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving' uit § 20.1.3.1 (parkeren).
Artikel 20.7 Gebruiksactiviteiten
Alleen de volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan binnen het gebiedstype Woongebied (EU-o):
Wonen, zoals bedoeld in artikel 20.23, mits wordt voldaan aan de regels uit § 20.1.4.2;
Uitoefenen van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, als bedoeld in artikel 20.29, mits wordt voldaan aan de regels uit § 20.1.4.3; en
functioneel ondersteunende voorzieningen, zoals wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, afval(water)inzamelsystemen, geluidsafschermende en veiligheidsvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen en kunstwerken.
De volgende gebruiksactiviteiten worden niet verricht binnen het gebiedstype Woongebied (EU-o):
het gebruik van gebouwen en andere bouwwerken als seksinrichting;
het opslaan van vuurwerk;
milieubelastende activiteiten als bedoeld in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken, als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het verrichten van bouwactiviteiten binnen het gebiedstype Woongebied (EU-o) is toegestaan, mits wordt voldaan aan de regels in:
§ 20.1.5.1 (algemene bepalingen, bouwactiviteiten);
§ 20.1.5.2 (hoofdgebouwen);
§ 20.1.5.3 (bijbehorende bouwwerken);
§ 20.1.5.4.1 (bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wonen);
§ 20.1.5.4.2 (bouwwerken, geen gebouwen zijnde, infrastructuur en openbare ruimte); en
§ 20.1.5.5 (geluidgevoelige gebouwen).
Artikel 20.9 Verrichten van werken en werkzaamheden
Het verrichten van werken en werkzaamheden binnen het gebiedstype Woongebied (EU-o) is toegestaan, mits wordt voldaan aan de regels in:
§ 20.1.7.1 (algemene bepalingen, verrichten werken en werkzaamheden); en
§ 20.1.7.2 (activiteiten met betrekking tot het aanleggen en in stand houden van infrastructuur en openbare ruimte).
Artikel 20.10 Aanwijzing en geometrische begrenzing
Er is een gebiedstype Groen en Water dat wordt begrensd door het werkingsgebied Groen en Water (EU-o) waar de regels van deze paragraaf gelden.
Artikel 20.11 Gebruiksactiviteiten
Alleen de volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan binnen het gebiedstype Groen en Water (EU-o):
Het gebruiken van gronden voor groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
functioneel ondersteunende voorzieningen, zoals, voet- en fietspaden, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, afval(water)inzamelsystemen, geluidsafschermende en veiligheidsvoorzieningen, speelvoorzieningen en kunstwerken.
Artikel 20.12 Bouwactiviteiten
Het verrichten van bouwactiviteiten binnen het gebiedstype Groen en Water (EU-o) is toegestaan, mits wordt voldaan aan de regels in:
§ 20.1.5.1 (algemene bepalingen, bouwactiviteiten); en
§ 20.1.5.4.3 (bouwwerken, geen gebouwen zijnde, groen en water).
Artikel 20.13 Verrichten van werken en werkzaamheden
Het verrichten van werken en werkzaamheden binnen het gebiedstype Groen en Water (EU-o) is toegestaan, mits wordt voldaan aan de regels in:
§ 20.1.7.1 (algemene bepalingen, verrichten van werken en werkzaamheden); en
§ 20.1.7.3 (activiteiten met betrekking tot het aanleggen en in stand houden van groen en water).
Artikel 20.14 Aanwijzing en geometrische begrenzing
Er is een restrictiegebied 'Archeologie' dat wordt begrensd door het werkingsgebied restrictiegebied Archeologie (EU-o) waar de regels van deze paragraaf gelden.
Artikel 20.15 Bouwactiviteiten
Het verrichten van bouwactiviteiten binnen het restrictiegebied Archeologie (EU-o) is toegestaan, mits wordt voldaan aan de regels in:
§ 20.1.5.1 (algemene bepalingen, bouwregels); en
§ 20.1.5.4.3 (bouwregels, restrictiegebied Archeologie).
Artikel 20.16 Sloopactiviteiten
Het verrichten van sloopactiviteiten binnen het restrictiegebied Archeologie (EU-o) is toegestaan, mits wordt voldaan aan de regels in § 20.1.6.2 (sloopactiviteiten, restrictiegebied Archeologie).
Artikel 20.17 Verrichten van werken en werkzaamheden
Het verrichten van werken en werkzaamheden binnen het restrictiegebied Archeologie (EU-o) is toegestaan, mits wordt voldaan aan de regels in:
§ 20.1.7.1 (algemene bepalingen, verrichten van werken en werkzaamheden); en
§ 20.1.7.4 (verrichten van werken en werkzaamheden, restrictiegebied Archeologie).
Artikel 20.18 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bebouwen en benutten van gronden in het gebiedstype Woongebied (EU-o) ten behoeve van parkeren.
Artikel 20.19 Voorzien in voldoende parkeergelegenheid - specifieke zorgplicht
Degene die een bouwactiviteit of gebruiksactiviteit verricht, voorziet in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van de te verrichten activiteit.
De plicht, als bedoeld in artikel 20.19, eerste lid, houdt in ieder geval in dat locaties slechts worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
Artikel 20.20 Maatwerk- en vergunningvoorschriften
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf worden verbonden, over artikel 20.19.
Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de eis in artikel 20.19, tweede lid, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving.
Bij het stellen van maatwerkvoorschriften of het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning, neemt het college de beleidsregel ‘Parkeerbeleidsplan IJsselstein (2006)’ of diens rechtsopvolger in acht.
In afwijking van artikel 20.20, derde lid kan het college bij het stellen van maatwerkvoorschriften of het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning afwijken van de genoemde beleidsregel:
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning, als bedoeld in deze paragraaf, kan worden verbonden.
Artikel 20.21 Toepassingsbereik
Deze afdeling gaat over het gebruiken van gronden en bouwwerken in het plangebied Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost.
Artikel 20.22 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op woonactiviteiten in het werkingsgebied wonen (EU-o).
Artikel 20.24 Gebruiksregels woonactiviteiten - algemene regels
Woonactiviteiten in het werkingsgebied wonen (EU-o) moeten voldoen aan de volgende regels:
het is verboden een woning te splitsen in meerdere woningen;
het is verboden bergingen en/of bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woningen;
de verhuur van kamers in woningen en/of bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan;
in één woning woont slechts één huishouden; en
voor de toepassing van deze regels geldt als één huishouden ook een huishouden dat mantelzorg of premantelzorg verleent, waarbij de ontvanger van (pre)mantelzorg in de woning woont of in een gebouw dat bij de woning hoort.
Artikel 20.25 Aanvulling gebruiksregels woonactiviteiten, fase 1 - algemene regels
In het werkingsgebied fase 1 (EU-o) gelden, in aanvulling op het bepaalde in artikel 20.24, de volgende regels:
In aanvulling op artikel 20.25, eerste lid, onder a, geldt:
dat in fase 1 (EU-o) de woningen worden gerealiseerd als sociale huurwoningen, als bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de doelgroep voor de sociale huurwoningen, als bedoeld onder a van dit lid, is huishoudens met een huishoudinkomen dat niet hoger is dan de inkomensgrens als bedoeld in artikel 16 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015; en
de woningen, als bedoeld onder a van dit lid, worden voor ten minste vijftien jaar in stand gehouden na ingebruikname.
Artikel 20.26 Aanvulling gebruiksregels woonactiviteiten, fase 2 - algemene regels
In het werkingsgebied fase 2 (EU-o) geldt, in aanvulling op artikel 20.24, de bepaling dat er maximaal 80 woningen mogen worden gerealiseerd.
Artikel 20.27 Aanvulling gebruiksregels woonactiviteiten, fase 3 - algemene regels
In het werkingsgebied fase 3 (EU-o) geldt, in aanvulling op artikel 20.24, de bepaling dat er maximaal 12 woningen mogen worden gerealiseerd.
Artikel 20.28 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten in het werkingsgebied wonen (EU-o).
Artikel 20.29 Aanwijzing activiteit
Als aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten worden aangewezen:
het in of bij een woning beroepsmatig uitoefenen van activiteiten op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen gebied; of
het in een (gedeelte) van een woning voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten.
Als niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit wordt aangewezen een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publieksgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse.
Als publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit wordt aangewezen een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksgericht zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan.
Artikel 20.30 Gebruiksregels niet publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten - algemene regels
Een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, als bedoeld in artikel 20.29, tweede lid, is toegestaan in het werkingsgebied wonen (EU-o), mits wordt voldaan aan de volgende regels:
het beroep of bedrijf aan huis wordt door de bewoner zelf uitgeoefend;
het beroep of bedrijf aan huis wordt in de woonruimte of in een bijbehorend bouwwerk bij de woonruimte uitgeoefend; en
de oppervlakte waarop het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend, is ten hoogste 30% van de bruto vloeroppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 50 m².
Artikel 20.31 Gebruiksregels publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, als bedoeld in artikel 20.29, derde lid, uit te oefenen in het werkingsgebied wonen (EU-o).
Artikel 20.32 Gebruiksregels publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 20.31, kan alleen worden verleend als wordt voldaan aan de volgende regels:
een beroep of bedrijf aan huis wordt door de bewoner zelf uitgeoefend;
het beroep of bedrijf aan huis wordt in de woonruimte of in een bijbehorend bouwwerk bij de woonruimte uitgeoefend;
de oppervlakte waarop het beroep of bedrijf aan huis wordt uitgeoefend, is ten hoogste 30% van de bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 50 m²;
er vinden geen detailhandel activiteiten plaats, uitgezonderd een beperkte verkoop als onderschikte activiteit aan het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis;
de gebruiksactiviteiten, behorende bij het beroep of bedrijf aan huis, passen qua aard, omvang en uitstraling in de woonomgeving, en
de gebruiksactiviteiten, behorende bij het beroep of bedrijf aan huis, leiden niet tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse.
Artikel 20.33 Toepassingsbereik
Deze afdeling gaat over het bouwen en in stand houden van bouwwerken in het plangebied Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost.
Artikel 20.34 Beoordelingsregels bouwwerken bij artikel 22.26
Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 22.26, wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels in AFDELING 20.1.5 (bouwactiviteiten).
Artikel 20.35 Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, kunnen in het belang van het beperken van de stikstofemissie als gevolg van de bouwwerkzaamheden voorschriften worden verbonden.
Artikel 20.36 Bouwregels hoofdgebouwen, fase 1
Voor het bouwen van een hoofdgebouw in het werkingsgebied fase 1 (EU-o) gelden volgende regels:
Artikel 20.37 Bouwregels hoofdgebouwen, fase 2
Voor het bouwen van een hoofdgebouw in het werkingsgebied fase 2 (EU-o) gelden de volgende regels:
Artikel 20.38 Bouwregels hoofdgebouwen, fase 3
Het bouwen van een hoofdgebouw is alleen toegestaan binnen het bouwvlak - fase 3 (EU-o).
Voor het bouwen van een hoofdgebouw in het bouwvlak - fase 3 (EU-o) gelden de volgende regels:
In aanvulling op artikel 20.38, eerste lid en artikel 20.38, tweede lid, geldt dat in het werkingsgebied fase 3 (EU-o):
de voorste perceelsgrens vormgegeven en in stand gehouden dient te worden door een groenblijvende haag van maximaal 1,2 m;
de zijdelingse perceelsgrens, aansluitend op de openbare ruimte, vormgegeven en in stand gehouden dient te worden door een groen blijvende haag van maximaal 1,2 m vóór de voorgevellijn, en maximaal 2 m áchter de voorgevellijn.
Artikel 20.39 Bouwregels hoofdgebouwen - afwijkingsmogelijkheid
In afwijking van de aangegeven maten ten aanzien van de bouw- en goothoogten van hoofdgebouwen in § 20.1.5.2, kan de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, alsnog worden verleend mits:
de afwijking van de aangegeven maten ten aanzien van de bouw- en goothoogten maximaal 10% betreft;
dit in verband met het realiseren van de functie noodzakelijk is of indien door de afwijking een betere bouwkundige en/of stedenbouwkundige aansluiting ontstaat met direct aangrenzende percelen en/of bouwwerken: en
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van het betreffende perceel als ook direct aangrenzende percelen en/of bouwwerken.
Deze afwijking, als bedoeld in artikel 20.39, eerste lid, mag niet cumulatief worden gebruikt ten opzichte van eerder met een omgevingsvergunning mogelijk gemaakte afwijkingen.
Artikel 20.40 Bouwregels bijbehorende bouwwerken, fase 1
Er mogen geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd in het werkingsgebied fase 1 (EU-o).
Artikel 20.41 Bouwregels bijbehorende bouwwerken, fase 2
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het werkingsgebied fase 2 (EU-o) gelden de volgende regels:
bij gestapelde woningen mogen geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
bijbehorende bouwwerken mogen alleen worden gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 2 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw;
de breedte van bijbehorende bouwwerken aan de achtergevel van het hoofdgebouw mag maximaal de breedte van de achtergevel van het hoofdgebouw bedragen;
het zij- en achtererf mag niet voor meer dan 50% worden bebouwd;
de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 6 m; en
de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3 m.
Artikel 20.42 Bouwregels bijbehorende bouwwerken, fase 3
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het werkingsgebied fase 3 (EU-o) gelden de volgende regels:
bijbehorende bouwwerken mogen alleen worden gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 2 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw;
de diepte van bijbehorende bouwwerken aan de achtergevel van het hoofdgebouw mag, gemeten uit de achtergevel van het hoofdgebouw, maximaal 4 m bedragen;
de breedte van bijbehorende bouwwerken aan de achtergevel van het hoofdgebouw mag maximaal de breedte van de achtergevel van het hoofdgebouw bedragen;
de breedte van bijbehorende bouwwerken aan de zijgevel van het hoofdgebouw mag maximaal 60% van de oorspronkelijke breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw bedragen;
de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt minimaal 1 m;
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op het zij- en achtererf bedraagt maximaal 50 m2, waarbij geldt dat het zij- en achtererf niet voor meer dan 50% mag worden bebouwd;
de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 3 m bedragen dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, indien meer dan 3 m, + 0,25 m; en
de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw - 2 m bedragen, waarbij geldt dat de bouwhoogte in ieder geval 3 m mag bedragen en maximaal 4,5 m.
Artikel 20.43 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde, fase 1-3
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het werkingsgebied wonen (EU-o) gelden de volgende regels:
Artikel 20.44 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Binnen het werkingsgebied infrastructuur en openbare ruimte (EU-o) mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, waarbij de volgende bepalingen in acht genomen dienen te worden:
de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 6 m;
de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 5 m;
de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 m;
de bouwhoogte van nutsvoorzieningen bedraagt maximaal 3 m en het oppervlak bedraagt maximaal 15 m2; en
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 m.
Artikel 20.45 Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Binnen het gebiedstype Groen en Water (EU-o) mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, waarbij de volgende bepalingen in acht genomen dienen te worden:
de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 6 m;
de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 m;
de bouwhoogte van nutsvoorzieningen bedraagt maximaal 3 m en het oppervlak bedraagt maximaal 15 m2; en
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste maximaal 2 m.
Artikel 20.46 Bouwregels geluidgevoelige gebouwen
Voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw in het werkingsgebied wonen (EU-o) gelden de volgende regels:
iedere woning dient te beschikken over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte waar het geluid niet hoger is dan de standaardwaarde zoals genoemd in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dan wel (voor de N210) de voorkeurswaarde van 48dB zoals genoemd in de voormalige Wet geluidhinder;
per woning dienen zoveel mogelijk verblijfsruimten, maar in ieder geval minimaal een (hoofd)slaapkamer, aan de geluidluwe zijde te zijn gesitueerd;
indien het bepaalde onder a niet mogelijk is moet door het toepassen en in stand houden van (bouwkundige) maatregelen een geluidluwe gevel of geveldeel ter plaatse van te openen ramen en een geluidluwe (gemeenschappelijke) buitenruimte worden gerealiseerd;
wanneer de berekende geluidbelasting meer bedraagt dan de grenswaarde van 60 dB van de Rijksweg dient:
een uitwendige scheidingsconstructie te worden toegepast die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of
het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger te zijn dan de grenswaarde;
de gezamenlijke geluidbelasting bedraagt de waarden zoals vastgelegd in bijlage nr.14 van de motivering behorende bij het wijzigingsbesluit waardoor dit artikel in werking treedt.
Artikel 20.47 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwen van bouwwerken in het restrictiegebied Archeologie (EU-o).
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van archeologische waarden ter plaatse van het restrictiegebied Archeologie (EU-o).
Artikel 20.49 Bouwregels, restrictiegebied Archeologie
Voor de bouwactiviteiten gelden de volgende regels:
uit het bij de aanvraag gevoegde rapport moet blijken dat er op de locatie van de activiteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
door het college van burgemeester en wethouders moeten worden beoordeeld dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad; of
de archeologische waarden moeten behouden kunnen worden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het behoud van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige.
Artikel 20.50 Bouwregels niet van toepassing, restrictiegebied Archeologie
Artikel 20.49 is niet van toepassing als:
sprake is van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
als het bouwen plaatsvindt zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en:
Artikel 20.51 Bouwactiviteit, restrictiegebied Archeologie - aanvullende indieningsvereisten
In aanvulling op artikel 22.35 geldt dat de gegevens en bescheiden, als bedoel in sub k van dat artikel, in elk geval betreffen:
een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld door middel van een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek;
een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
funderingstekeningen inclusief palenplan en voorzien van volledige maatvoering;
een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;
het proefsleuvenonderzoek, als bedoeld onder sub a, of opgraving dient te zijn uitgevoerd aan de hand van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor het proefsleuvenonderzoek of de opgraving;
als sprake is van zichtbare archeologische waarden: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en
als sprake is van (te verwachten) archeologische waarden onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
Artikel 20.52 Bouwactiviteit, restrictiegebied Archeologie - vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:
het nemen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen.
Artikel 20.53 Bouwactiviteiten, restrictiegebied Archeologie - advies
Indien sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, is vereist, wint de aanvrager vooraf archeologisch advies in bij de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen archeologisch deskundige.
Artikel 20.54 Toepassingsbereik
Deze afdeling gaat over het slopen van bouwwerken in het plangebied Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost.
Artikel 20.55 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het slopen van bouwwerken in het restrictiegebied Archeologie (EU-o).
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van archeologische waarden ter plaatse van het restrictiegebied Archeologie (EU-o).
Artikel 20.57 Sloopactiviteit, restrictiegbied Archeologie - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen in het restrictiegebied Archeologie (EU-o).
Het verbod, als bedoeld in artikel 20.57, tweede lid, geldt niet voor activiteiten die:
niet dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld;
worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan; of
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan.
Artikel 20.58 Sloopactiviteit, restrictiegebied Archeologie - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 20.57, kan alleen worden verleend als:
uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de activiteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de archeologische waarden naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig worden geschaad; of
de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het behoud van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige.
Artikel 20.59 Sloopactiviteit, restrictiegebied Archeologie - indieningsvereisten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 20.57, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 20.60 Sloopactiviteit, restrictiegebied Archeologie - vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 20.57, kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:
het nemen van technische maatregelen in de wijze van slopen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen.
Artikel 20.61 Sloopactiviteit, restrictiegebied Archeologie - advies
Indien sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 20.57, is vereist, wint de aanvrager vooraf archeologisch advies in bij de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen archeologisch deskundige.
Artikel 20.62 Toepassingsbereik
Deze afdeling gaat over het verrichten van werken, geen gebouwwerk zijn, en werkzaamheden in het plangebied Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost.
Artikel 20.63 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden binnen het werkingsgebied infrastructuur en openbare ruimte (EU-o).
Artikel 20.64 Aanleggen en in stand houden van infrastructuur en openbare ruimte - algemene regels
Toegelaten activiteiten binnen het werkingsgebied infrastructuur en openbare ruimte (EU-o) zijn uitsluitend het aanleggen en in stand houden van:
wegen, in- en uitritten, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en geluid afschermende voorzieningen;
groenvoorzieningen;
water, wateropvang- en infiltratievoorzieningen; en
functioneel ondersteunende voorzieningen, waaronder nutsvoorzieningen, afval(water)inzamelsystemen en overige verhardingen.
Artikel 20.65 Maatwerk- en vergunningvoorschriften
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf worden verbonden, over artikel 20.64.
Bij het stellen van maatwerkvoorschriften of het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning, neemt het college de beleidsregels 'Integraal Beheer Openbare Ruimte (2024-2029)' en het 'Handboek Inrichting Openbare Ruimte (2022)' of diens rechtsopvolgers in acht.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning, als bedoeld in deze paragraaf, kan worden verbonden.
Artikel 20.66 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden binnen het gebiedstype Groen en Water (EU-o).
Artikel 20.67 Aanleggen en in stand houden van groen en water - algemene regels
Toegelaten activiteiten binnen het gebiedstype Groen en Water (EU-o) zijn uitsluitend het aanleggen en in stand houden van:
Artikel 20.68 Maatwerk- en vergunningvoorschriften
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze paragraaf worden verbonden, over artikel 20.67.
Bij het stellen van maatwerkvoorschriften of het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning, neemt het college de beleidsregels 'Integraal Beheer Openbare Ruimte (2024-2029)' en het 'Handboek Inrichting Openbare Ruimte (2022)' of diens rechtsopvolgers in acht.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning, als bedoeld in deze paragraaf, kan worden verbonden.
Artikel 20.69 Aanwijzing activiteit
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden binnen het restrictiegebied Archeologie (EU-o):
het ontgronden, afgraven, saneren, onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
het ophogen van de bodem hoger dan 30 cm;
het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen;
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
het rooien van diepwortelende beplantingen en bodem, waarbij de stobben worden verwijderd;
het aanleggen van drainage;
het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze inbrengen van objecten in de bodem;
het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; of
het verwijderen van ondergrondse fundamenten en het verwijderen en/of uittrekken van heipalen.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van archeologische waarden ter plaatse van het restrictiegebied Archeologie (EU-o).
Artikel 20.71 Verrichten werken en werkzaamheden, restrictiegebied Archeologie - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de in artikel 20.69 aangewezen activiteiten te verrichten binnen het restrictiegebied Archeologie (EU-o).
Het verbod, als bedoeld in artikel 20.71, eerste lid, geldt niet voor activiteiten die:
normaal onderhoud en beheer betreffen;
bestaan uit de aanleg van kabelsleuven of leidingsleuven met een breedte van maximaal 30 cm;
worden uitgevoerd in een bestaand cunet van een weg of leiding;
niet dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld;
worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan; of
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan.
Artikel 20.72 Verrichten werken en werkzaamheden, restrictiegebied Archeologie - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 20.71, kan alleen worden verleend als:
uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de activiteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de archeologische waarden naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig worden geschaad; of
de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het behoud van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige.
Artikel 20.73 Verrichten werken en werkzaamheden, restrictiegebied Archeologie - indieningsvereisten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 20.71, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld door middel van een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek;
een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;
het proefsleuvenonderzoek, als bedoeld onder sub e, of opgraving dient te zijn uitgevoerd aan de hand van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor het proefsleuvenonderzoek of de opgraving;
als sprake is van zichtbare archeologische waarden: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en
als sprake is van (te verwachten) archeologische waarden onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
Artikel 20.74 Verrichten werken en werkzaamheden, restrictiegebied Archeologie - vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 20.71, kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:
het nemen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;
het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen.
Artikel 20.75 Verrichten werken en werkzaamheden, restrictiegebied Archeologie - advies
Indien sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 20.71, is vereist, wint de aanvrager vooraf archeologisch advies in bij de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen archeologisch deskundige.
Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop deze wijziging van het omgevingsplan in werking is getreden, ter plaatse van het plangebied Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost, en dat als gevolg van deze wijziging in strijd is met de regels over gebruiksactiviteiten in titel 20.1, mag worden voortgezet.
artikel 20.76, eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat voorafgaand aan deze wijziging van het omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels in het omgevingsplan over gebruiksactiviteiten ter plaatse van het plangebied Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.
Het is verboden het strijdige gebruik, als bedoeld in artikel 20.76, eerste lid, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.
Indien het strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 20.76, eerste lid, na inwerkingtreding van de in artikel 20.76, eerste lid bedoelde wijziging van het omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Een bouwwerk, ter plaatse van het plangebied Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost, waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, als bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
Een bouwwerk dat aanwezig was op het tijdstip waarop deze wijziging van het omgevingsplan in werking is getreden, ter plaatse van het plangebied Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost, en dat als gevolg van deze wijziging in strijd is met de regels over bouwactiviteiten in titel 20.1, mag:
in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit, geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.
Onder een bouwwerk dat aanwezig was op het tijdstip waarop deze wijziging van het omgevingsplan in werking is getreden, ter plaatse van het plangebied Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost, wordt in dit artikel tevens verstaan 'een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen'.
artikel 20.77, eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken dat weliswaar aanwezig was op het tijdstip dat deze wijziging van het omgevingsplan in werking is getreden, maar is gebouwd zonder vergunning en in strijd was met de voorheen geldende regels in het omgevingsplan over bouwactiviteiten, ter plaatse van het plangebied Gebiedsontwikkeling Europakwartier-Oost, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.
C
Na bijlage I wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm0353/2026/gebiedsaanwijzing_c78294aee32449479b649260ece8ecaa/nld@2026‑01‑29;1
/join/id/regdata/gm0353/2026/gebiedsaanwijzing_0dfadfe5982d401c9afce6d900da4f29/nld@2026‑01‑29;1
/join/id/regdata/gm0353/2026/gebiedsaanwijzing_7132c2e18bde418d8efc66f933f4d7a4/nld@2026‑01‑29;1
/join/id/regdata/gm0353/2026/gebiedsaanwijzing_696e4ebfe57b49c49d60eedddec31d3e/nld@2026‑01‑29;1
/join/id/regdata/gm0353/2026/gebiedsaanwijzing_5575319ee4d3475a88d01a550c19358b/nld@2026‑01‑29;1
/join/id/regdata/gm0353/2026/gebiedsaanwijzing_2538a7b092534d9eaeee118f2cb3dc01/nld@2026‑01‑29;1
/join/id/regdata/gm0353/2026/gebiedsaanwijzing_d98c085e6dfc4f16950e01657fd4cc15/nld@2026‑01‑29;1
/join/id/regdata/gm0353/2026/gebiedsaanwijzing_7e298f3b6dd249129e2668c6d6838063/nld@2026‑01‑29;1
/join/id/regdata/gm0353/2026/gebiedsaanwijzing_5dc1499549a64948b5090559a1973d8a/nld@2026‑01‑29;1
/join/id/regdata/gm0353/2026/gebiedsaanwijzing_e35e5e3b1d3141cab30637036502fa2d/nld@2026‑01‑29;1
D
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Bijlage I bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.
Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.
Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.
Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-44313.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.